Example of unacceptable complaint procedures

Historisch Nieuwsblad.nl woensdag 11 januari 2012

Top-10 oorlogsmisdaden in Indonesië

Weduwen uit het voormalige Rawagede en Zuid-Celebes hebben Nederland aangeklaagd voor oorlogsmisdaden tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Is dit pas het begin? Aan welke geweldsontsporingen hebben Nederlandse militairen zich nog meer schuldig gemaakt in Indonesië tussen 1945 en 1950? Een top-10.

11 januari 2012 | door Wendy Dallinga

In 1969 liet Tweede Kamer een zogenaamde Excessennota opstellen. Aanleiding was de ophef die was ontstaan door een uitzending van het tv-bulletin Achter het Nieuws, waarin de voormalige dienstplichtig militair J.E. Hueting werd geïnterviewd. Hij was in 1947 in Indonesië betrokken geweest bij ‘derdegraads verhoren en martelingen van Indonesiërs, moorden op krijgsgevangenen en het plegen van geweld jegens de burgerbevolking’.

Een commissie onder leiding van historicus Cees Fasseur verzamelde in vier maanden tijd informatie over 76 ‘geweldsexcessen’. De nota bevat alleen zaken waarover de commissie gegevens kon vinden in archieven, die voor de krijgsraad waren geweest of die de publiciteit haalden. De plaatselijke bevolking kon op zo’n korte termijn nooit worden geïnterviewd.

Voor de meeste Nederlandse oorlogsmisdaden geldt dat het juiste aantal slachtoffers niet meer te achterhalen is, ook niet als er onderzoek is gedaan in de periode 1945-1949. De Indonesische regering gebruikte sommige geweldsincidenten voor propaganda tegen de Nederlanders, waarbij er met de cijfers werd geknoeid . Daarnaast evacueerde zij soms getuigen, waardoor Nederlands onderzoek werd gesaboteerd. Aan Nederlandse kant werden veel zaken geseponeerd door de krijgsraad. Weinig Nederlandse militairen zijn vervolgd.

Onderstaande top-10 is daarom niet alleen gebaseerd op slachtofferaantallen. Op aanraden van Cees Fasseur is ook gekeken naar ‘gruwelijkheid’. Vooral het doelbewust doden van weerloze burgers scoort hoog op die schaal. Fasseur: ‘Het gebeurde dat Nederlandse militairen op veldtocht Indonesische burgers doodden, omdat deze vluchtten. De militairen redeneerden dat als ze niets te vrezen hadden ze wel bleven staan, maar dat deden ze niet.’ Verder zijn in deze top-10 enkele geweldsexcessen opgenomen die als exemplarisch kunnen worden beschouwd voor andere, soortgelijke gevallen.

1. Zuid-Celebes
Tijdens ‘zuiveringsacties’ onder commando van kapitein Reymond Westerling executeerden Nederlandse militairen tussen december 1946 en februari 1947 tussen de 3.000 en de 5.000 Indonesiërs. De Indonesische regering meldde destijds bij de Verenigde Naties 40.000 slachtoffers. Enkele honderden militairen worden ervan verdacht mede schuldig te zijn aan de executies.

2. Bondowoso (Oost-Java)
Bij een transport van 100 Indonesische gevangen in drie afgesloten goederenwagens kwamen in november 1947 46 gevangenen door verstikking om het leven. Door miscommunicatie hadden de verantwoordelijke Nederlandse militairen geen aandacht geschonken aan de toestand waarin de gevangenen zich bevonden.

3. Rawagede (West-Java)
In december 1947 executeerden Nederlandse soldaten zonder proces dorpsbewoners. In de Excessennota van 1969 wordt afwisselend gesproken van tussen de 20 en 150 slachtoffers. Dit getal was veel te laag. Tegenwoordig gaat men uit van 431 geëxecuteerden.

4. Gendang (Borneo)
Op 28 februari 1949 schoten soldaten van een Nederlandse patrouille 30 krijgsgevangenen dood. De lijken gooiden ze in een rivier. Leden van de patrouille verklaarden dat de slachtoffers hadden weten uit te breken, waarbij twee militairen gewond waren geraakt. De overspannen sergeant gaf daarop het bevel de gevangenen dood te schieten.

5. Tjilatjap (Midden-Java)
Op 1 augustus 1949 vond het ‘Drama van Tjilatjap’ plaats. Een patrouille ging op weg om bij Goenoeng Simping eventuele Indonesische strijders op te sporen. De Nederlanders omsingelden een huis waar een huwelijkfeest was. Zonder aanwijzingen dat er vijandelijke militairen in het huis aanwezig waren, loste een Nederlandse militair door een misverstand een schot. Hierop begonnen ook andere militairen te schieten. Dit schietincident kostte 14 mannen, 11 vrouwen en een kind het leven.

6. Solo (Midden-Java)
Bij een klewangaanval door het Korps Speciale Troepen op 11 augustus 1949 vonden 20 ongewapende burgers de dood. De voorzitter van het plaatselijke Indonesische Rode Kruis wendde zich over deze zaak tot de Nederlandse militaire autoriteiten. Het is een klassiek voorbeeld van een exces waarnaar een onderzoek werd ingesteld dat geen resultaat opleverde. De zaak-Solo werd gedeponeerd, omdat de plaats was ontruimd en Indonesische getuigen die eerder waren gehoord geen verdere medewerking verleenden.

7. Malang (Oost-Java)
16 Indonesische krijgsgevangen werden op 2 en 3 maart 1949 in Malang doodgeschoten door een Nederlandse patrouille. Twee hoofdofficieren legden later volledige bekentenis af dat zij opdracht hadden gegeven tot deze moorden.

8. Tjiamis (West-Java)
Leden van het Korps Speciale Troepen liquideerden op 13 en 16 april 1948 enkele gevangen in Tjiamis. De lijken bleven onbegraven achter. Een brigadecommandant schreef in een aantekening over de KST ‘dat deze troep reeds vrij aardig over het paard is getild en daardoor volkomen uit de hand loopt van commandanten’. Het korps was vaker betrokken bij het doden van gevangen zonder militaire noodzaak en zonder proces.

9. Peniwen (Oost-Java)
Tijdens een ‘zuiveringsoperatie’ op 19 en 20 februari 1949 doodden Nederlandse militairen zonder militaire noodzaak 4 of 5 Indonesiërs, toen hun werd bevolen werd een kerk te verlaten die dienst deed als ziekenhuis. De zaak kwam aan het licht via een bericht in het bulletin van de Nederlandse Hervormde Kerk van 22 maart 1949.

10. Soetodjajan (Oost-Java)
In augustus 1947 weigerden drie mariniers een gedeelte van de kampong Soetodjajan in brand te steken. Ze zagen er de militaire noodzaak niet van in en hadden morele en godsdienstige bezwaren. De minister van Marine besloot op 23 december 1948 dat de militaire noodzaak er wel degelijk was, maar dat de mariniers ten onrechte waren bestraft met anderhalf twee en vijf jaar cel en ontslag uit de militaire dienst.

Met dank aan Cees Fasseur

Artikel Vrij Nederland: 10-07-2012

Onze vuile oorlog

Hugo Wilmar/Nederlands instituut voor militaire historieHugo Wilmar/Nederlands instituut voor militaire historie

Onderzoek naar de politionele acties

Door Harm Ede Botje / Anne-Lot Hoek

Historici roepen op tot een onderzoek naar het Nederlandse geweld in Indonesië. Waarom is dat niet al lang gebeurd?

De kramp is eraf,’ zegt directeur Gert Oostindie van het Leidse Koninklijk Instituut voor Taal, Land en Volkenkunde (KITLV).
‘Het veld ligt nu open, hè hè eindelijk,’ zegt hoofdonderzoeker Henk Schulte Nordholt. Het tweetal behoort tot de initiatiefnemers van de recente oproep in de Volkskrant een onderzoek te doen naar het Nederlandse geweld tijdens de dekolonisatie van Indonesië tussen 1945 en 1949. Vorig jaar nog kende de rechter weduwen uit het dorpje Rawagede een schadevergoeding toe omdat daar in 1947 mannen, broers en zonen standrechtelijk werden geëxecuteerd. Onlangs diende advocate Liesbeth Zegveld, die de belangen van de weduwen van Rawagede vertegenwoordigt, opnieuw een claim in bij de overheid. Nu willen weduwen uit Zuid-Celebes (het tegenwoordige Sulawesi) waar in 1947 eenheden van de beruchte kapitein Raymond Westerling huishielden, ook een schadevergoeding.

Die opeenvolgende rechtszaken, maar ook de spijtbetuiging die minister Bot van Buitenlandse Zaken in 2005 deed: ‘We stonden aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ – het creëert volgens Oostindie en zijn collega Schulte Nordholt een klimaat waarin nieuw onderzoek mogelijk is. ‘Het is voor ons de grootste oorlog ooit gevoerd. Nooit stuurden we zo veel mensen naar het front, nooit waren er zo veel doden. Hoe kan het dat er na 65 jaar nog steeds geen gezaghebbende studie over is?’ Het tweetal is vooral benieuwd naar wat er feitelijk is gebeurd tijdens militaire operaties. Ongetwijfeld werden mensen ondersteboven gehangen tijdens verhoren. Zeker is dat krijgsgevangenen tijdens routinepatrouilles werden geëxecuteerd. Maar hoe systematisch gebeurde dat? Waarom onderdrukte kapitein Westerling de bevolking met zo veel geweld? Hoe kan het dat hij daarna jarenlang ongestoord in Nederland heeft kunnen wonen? Oostindie en Schulte Nordholt ontzien ook zichzelf niet, want het blijft natuurlijk vreemd dat het KITLV, het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies (NIOD) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) niet veel eerder het initiatief hebben genomen. ‘Ook dat komt aan de orde in het onderzoek,’ zegt Oostindie. ‘Voor onze generatie is het vanzelfsprekend om hiermee aan de slag te gaan. Maar onze voorgangers zeiden: “Bemoei je daar niet mee. Dat is voor de politiek.”’

Maar wie krantenknipsels en rapporten van de jaren veertig tot nu doorploegt (en dat zijn grote stapels!) valt het meteen op dat áls de politiek zich al uitsprak over de gewelddadige dekolonisatie, het altijd in reactie was op incidenten. Nooit is door een Nederlandse regering uit eigen beweging een groot, alomvattend onderzoek opgezet, zoals de parlementaire enquête naar de regeringsverantwoordelijkheid in de Tweede Wereldoorlog. In de jaren zestig speelde de affaire rond Joop Hueting die op televisie vertelde over de moordpartijen waarbij hij betrokken was, in de jaren tachtig de kwestie rond Loe de Jong die in zijn deel over Nederlands-Indië beweerde dat er oorlogsmisdaden waren gepleegd, wat hij later toch weer veranderde in ‘excessen’. En in de jaren negentig: de komst van deserteur Poncke Princen naar Nederland, de discussies rond het staatsbezoek van de koningin aan Indonesië en de RTL-documentaire over Rawagede die daaraan voorafging. Steeds weer kwamen spoken uit het verleden terug. En dat moet voor eens en altijd afgelopen zijn, vinden de historici die oproepen tot onderzoek.

Hugo Wilmar/Spaarnestad photoHugo Wilmar/Spaarnestad photo

Klokkenluider
Het zijn overigens niet de historici die als eerste de aanzet hebben gegeven tot de hernieuwde belangstelling voor de misstanden in Nederlands-Indië. Volgens historica Stef Scagliola, die voor haar promotie de verwerking van de dekolonisatie uitgebreid onderzocht, zijn er steeds compromisloze figuren nodig die de zaak in beweging brengen. ‘Historici kunnen niet zonder klokkenluiders, provocateurs.’ De afgelopen jaren werd die rol met verve vertolkt door cementarbeider Jeffry Pondaag uit het Noord-Hollandse Heemskerk. Hij kwam in de jaren zestig vanuit Indonesië naar Nederland met zijn Nederlandse moeder, en ergert zich al jaren aan wat hij ‘de arrogante houding’ van Nederland noemt. Waarom heet de Coentunnel nog steeds Coentunnel? En waarom staan er op de zijkant van de Gouden Koets nog steeds afbeeldingen van Javanen? Dat steekt hem als Indonesiër, want dat vindt hij verheerlijking van het koloniale verleden. En waarom worden Duitse oorlogsmisdadigers tot in lengte van jaren vervolgd en kon kapitein Westerling tot zijn dood een rustig leven leiden?

‘Ik begrijp niet hoe een land dat mensenrechten zo belangrijk vindt, zich zo kan gedragen,’ zegt hij. Jarenlang leurde Pondaag met de kwestie-Rawagede zonder enig resultaat. Tot 1995, toen maakte RTL 4 in de aanloop naar het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië een reportage over de vergeten massamoord. Daarna ging het balletje langzaam rollen. In het parlement maakte onder meer de Socialistische Partij zich hard voor de zaak. En zo kreeg Pondaag de Nederlandse staat op de knieën: de regering betuigde spijt en de rechter dwong de overheid schadeloosstellingen te betalen. Bij het KITLV in Leiden menen ze dat Pondaag inderdaad een grote rol heeft gespeeld. ‘Hij is een wonderlijke figuur,’ zegt Henk Schulte Nordholt. ‘Maar hij is wél een katalysator geweest.’

Jarenlang leurde Pondaag met de kwestie-Rawagede, zonder resultaat

Met vrouw en kind onderduiken
Pondaag staat in een traditie. In 1969 was er een soortgelijke compromisloze figuur die het maatschappelijke debat in beweging bracht. Het waren de jaren van studentenverzet, flowerpower en afrekening met de ‘heersende macht’. Psycholoog Joop Hueting gaf een interview aan de Volkskrant waarin hij zonder enige terughoudendheid vertelde over oorlogsmisdaden die waren gepleegd door hemzelf en anderen. Hij beschreef hoe de korporaal van zijn eenheid, die kort daarvoor in een hinderlaag was gelopen een hutje in ging en een familie afmaakte. En hoe Indonesiërs met hun blote billen op gloeiend hete pantserwagens werden gezet, zodat ze brandwonden opliepen. ‘Je reinste sadisme.’ Ook vertelde hij hoe ze krijgsgevangenen ‘lieten pissen in de kali’. Die mannen waren tot last en werden van achteren doodgeschoten. ‘Wij waren vakkundige killers,’ zei Hueting. Hij stelde nadrukkelijk dat het geen individuele acties waren, maar dat het ‘gewoon in het systeem van het leger paste’.

Ondanks de gruwelijke details kreeg zijn verhaal weinig aandacht, totdat de redactie van VARA’s actualiteitenrubriek Achter het Nieuws besloot Hueting te interviewen. Toen brak de hel los. Het was voor de allereerste keer dat een televisie-uitzending bij miljoenen kijkers zo veel emoties losmaakte. Hueting werd bedreigd en moest met vrouw en kind onderduiken in een hotel op de Veluwe, berichtte De Telegraaf. Veteranen reageerden woedend op de beschuldigingen, en voormalig premier Willem Drees deed de zaak af als oud nieuws omdat de Kamer in 1949 een voorstel voor een nader onderzoek had verworpen. Ook vroeg Drees zich af waarom Hueting zich niet veel eerder met zijn verhaal bij de autoriteiten had gemeld. Hypocriet als je bedenkt dat de regeringen in de jaren veertig en vijftig precies wisten wat er speelde. In 1954 was er immers een onderzoek afgerond door de juristen Van Rij en Stam naar oorlogsmisdaden die op Zuid-Celebes waren begaan. De regering waarvan Willem Drees premier was, besloot toen kapitein Westerling en zijn mannen vrijuit te laten gaan en het rapport niet openbaar te maken.

T.Schilling/Nederlands instituut voor militaire historieT.Schilling/Nederlands instituut voor militaire historie

Een inhaaloperatie
Het koloniaal verleden werd steeds weer weggestopt. Televisiemaker Ad van Liempt, die zich al jaren verdiept in het Indische verleden en van wie onlangs het boek Nederland valt aan is heruitgegeven, vindt dat niet vreemd. ‘Niemand vindt het leuk om stil te staan bij zijn nederlagen.’ Maar er speelden volgens Van Liempt ook andere zaken die voor een moeizame omgang zorgden. ‘We zaten met het veteranenprobleem. Die mensen zijn hier een beetje als losers ontvangen nadat we Nederlands-Indië waren kwijtgeraakt. Ze voelden zich in de kou gezet. Daarnaast verkeerden we door de weigering van Nederland om Nieuw-Guinea als kolonie op te geven in een soort koude oorlog met Indonesië; we waren bang dat openheid van zaken onze internationale belangen zou schaden.’

Van Liempt noemt het ‘eeuwig zonde’ dat het in 1969 na de affaire-Hueting nooit tot een groot onderzoek of een parlementaire enquête is gekomen, ondanks aandringen van toenmalig oppositieleider Joop den Uyl. ‘Zo’n onderzoek had in die jaren veel opwinding en commotie gegeven, maar de wond was wél schoongeveegd. Je had de hoofdrolspelers en ooggetuigen die toen nog leefden kunnen horen. De feiten waren dan op tafel gekomen. Het onderzoek waar nu toe wordt opgeroepen kan niet anders dan een inhaaloperatie met grote handicaps worden.’

Na de uitlatingen van Hueting in 1969 kwam er dus geen groot onderzoek. Wel gaf de centrum-rechtse regering onder leiding van premier Piet de Jong onder druk van de commotie die was ontstaan, opdracht tot een snelle inventarisatie in de archieven van alle mogelijke ‘excessen’ die zouden zijn gepleegd. Het woord ‘oorlogsmisdaden’ weigerde hij in de mond te nemen. De jonge historicus Cees Fasseur kreeg de opdracht in drie maanden tijd de inventarisatie te maken. Hij verrichtte zijn sisyfusarbeid in grote haast, verzamelde aanwijzingen voor 110 oorlogsmisdaden, maar wist zeker dat zijn werk lang niet volledig was. Dat schreef hij ook in zijn conclusies. Maar dat was niet wat premier De Jong wilde horen. Dat bleek toen historica Stef Scagliola de concepttekst en de definitieve tekst van de conclusies met elkaar vergeleek voor haar in 2002 verschenen proefschrift Last van de oorlog.

Voor de premier speelde naast het veteranenprobleem en de verhouding met Indonesië een nog grotere zorg: de kans was groot dat de vraag naar de politieke verantwoordelijkheid voor de moordpartijen aan de orde kwam. En dat moest worden voorkomen. De Jong trok aan de noodrem en wijzigde de conclusie van Fasseur, die vond dat er nader onderzoek moest worden gedaan. Volgens De Jong was er ondanks de onvolledigheid geen probleem, want er was toch ‘een voldoende indruk over aard en omvang van de excessen’. Namelijk: ja, er hebben zich misstanden voorgedaan, iets wat de regering betreurde. Maar: ‘de krijgsmacht als geheel heeft zich in Indonesië correct gedragen’, en er was ook sprake van provocaties aan Indonesische kant. En: van ‘een systematische wreedheid’ was geen sprake. Daarmee ging de deksel op de doofpot.

Voor het eerst maakte een tv-uitzending bij miljoenen kijkers zoveel emoties los

Bijzondere krijgsraden
De historici die nu oproepen tot hernieuwd onderzoek willen die deksel er weer van af hebben. ‘We willen onder meer inventariseren of er stelselmatig krijgsgevangenen werden doodgeschoten. Was dat standaard praktijk?’ vraagt Henk Schulte Nordholt van het KITLV zich af. ‘Daarvoor moet je archieven doorploegen. Er zijn heel veel zaken die nooit zijn vervolgd, omdat de toenmalig hoogste militair in Nederlands-Indië generaal Simon Spoor het moreel van de troepen niet omlaag wilde halen, de jongens niet onderuit wilde halen. Als je al dat materiaal nog eens heel goed analyseert, zou het me niets verbazen als daar een nieuw beeld uit naar voren komt.’

In dit verband is er één boek dat van grote waarde is voor het komende onderzoek:Ontsporing van geweld van de sociologen Jacques van Doorn en Wim Hendrix uit 1970. Het tweetal diende tegelijkertijd in Nederlands-Indië, Van Doorn op een bureau, Hendrix in het veld. De laatste zag met eigen ogen hoe oorlogsmisdaden werden gepleegd. Ze spraken in het geheim af dat Hendrix zijn ervaringen zou vastleggen voor een latere wetenschappelijke publicatie. Jarenlang bleef het materiaal in de la liggen. Pas na de affaire-Hueting kwamen ze met hun boek. Het was een rechtstreekse aanval op de conclusies van premier De Jong. Volgens de schrijvers was er wel degelijk sprake van een systeem van contraterreur dat van bovenaf werd opgelegd. Indonesische infiltranten werden berecht door bijzondere krijgsraden, er was sprake van een ‘wijd vertakt, hard politioneel regime’ en Speciale Troepen hadden ‘een vergaand mandaat gekregen’ om eigenmachtig op te treden. Al deze maatregelen waren volgens de twee auteurs genomen omdat het onmogelijk was ‘met normale middelen de guerrilla te beëindigen’. En door wie was deze strategie ontworpen? Volgens Van Doorn en Hendrix was dat ‘op het hoogste niveau’ gebeurd en werd ‘de man in de troep met de uitvoering belast’. Het zijn prikkelende conclusies die de twee sociologen trekken, maar ze kunnen alleen hun eigen ervaringen als bewijs opvoeren. Er zijn tot nu toe geen stukken opgedoken waardoor hun these kan worden gestaafd.

Ontsporing van geweld werd in 1970 doodgezwegen, ondanks de vergaande conclusies. Historica Scagliola sprak voor haar promotieonderzoek uitgebreid met Van Doorn en kreeg zijn aantekeningen over de nasleep van het boek voor haar reconstructie. In een brief aan toenmalig Vrij Nederland-columnist Renate Rubinstein beklaagde Van Doorn zich dat het werk zo weinig aandacht kreeg: ‘… niemand was onder de indruk, hoewel voor het eerst systematische analyse en niet smakelijke incidenten werden aangeboden’. Van Doorn overleed in 2008, de inmiddels 86-jarige Hendrix noemde onlangs in dagblad Trouw de oproep tot een nieuw onderzoek ‘geweldig nieuws’.

Hugo Wilmar/Nederlands instituut voor militaire historie
Hugo Wilmar/Nederlands instituut voor militaire historieHugo Wilmar/Nederlands instituut voor militaire historie

Loe de Jong
In de jaren die volgen wordt de rituele dans over het Indische verleden om de paar jaar opgevoerd, zo ook na het verschijnen in 1984 van De Zuid-Celebes affaire. Kapitein Westerling en de standrechtelijke executies van onderzoeker Willem IJzereef. ‘In De Telegraaf kreeg ik een recensie waarin stond: “Beste Willem, doe je huiswerk over. Ga naar Westerling en luister naar het echte verhaal”,’ zegt IJzereef terugkijkend. ‘In Vrij Nederland vonden ze het een hartstikke goed boek, maar ik had wel moeten zeggen dat het om “oorlogsmisdaden” ging.’

Hoe gevoelig de publicatie van het boek lag, bleek uit alle autorisaties en toestemmingen die IJzereef van ministers moest krijgen omdat hij tot dan toe verboden dossiers had mogen inzien. ‘Het is zelfs langs Ruud Lubbers geweest, die er ook zijn handtekening onder moest zetten. Na publicatie kreeg ik van mensen bij Bureau Indonesië van het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Nederlandse Instituut Militaire Historie te horen dat ze het geweldig vonden wat ik had geschreven. Dat mochten zij helemaal niet.’ Dat er wel iets is veranderd, bewijst het feit dat het NIMH nu een van de drie initiatiefnemers is van de oproep voor nieuw onderzoek, vindt IJzereef.

Eind 1987 was Loe de Jong het middelpunt toen hij in deel 11a van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog de gebeurtenissen in Nederlands-Indië beschreef. Hij had het daarin over oorlogsmisdaden in plaats van excessen en vergeleek het optreden van de Nederlanders met dat van de Duitsers. Een van zijn meelezers, een oud-officier van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), was zo verontwaardigd dat hij de tekst doorspeelde naar De Telegraaf, die het opnam voor de veteranen en een campagne startte. De Jong kreeg dus net als eerder Hueting alles en iedereen over zich heen. Hij gaf toe de paragrafen ‘te veel vanuit emoties te hebben geschreven’. ‘Oorlogsmisdaden’ werden weer ‘excessen’ en hij bood zijn excuses aan voor de ‘vele onevenwichtigheden’. En opnieuw slaagden de lobby oud-Indië-militairen en de gevestigde machten binnen het overheidsapparaat erin verder onderzoek te voorkomen. Toch vindt Scagliola dat De Jong de historicus is die het meeste lef heeft getoond. Zelf is ze expliciet in haar werk: ‘Ik heb het wel over oorlogsmisdaden.’

Ook in Indonesië vrezen de autoriteiten dat door onderzoek onrust ontstaat

Het archief in Bandung
Over de gewelddadige dekolonisatie is ondanks de passieve houding van de overheid door individuele onderzoekers al veel geschreven. Wat zou nieuw onderzoek nog kunnen opleveren? De initiatiefnemers willen niet alleen in Nederlandse archieven antwoorden vinden op hun vragen, maar ook in Indonesië. ‘Ons uitgangspunt is het Nederlandse geweld,’ zegt Gert Oostindie. ‘Maar om de wedstrijd Ajax-Feyenoord te begrijpen moet je wel naar beide elftallen kijken.’ Tot nu toe is er heel weinig bekend over de Indonesische kant van het verhaal. Dat komt omdat de Indonesische archieven zijn verdwenen of ontoegankelijk zijn. Veel ooggetuigen zijn nooit gehoord en nu oud of overleden.

Extra complicatie is dat net als in Nederland niet iedereen zit te wachten op een onderzoek. ‘In Indonesië is er lang een staatsideologie geweest, een mythe dat het hele volk schouder aan schouder streed tegen de Nederlanders. Terwijl er in werkelijkheid veel onderlinge strijd was en er ook veel Indonesiërs die zich tegen de revolutie verzetten werden vermoord. Bovendien had het Indonesische leger het monopolie op de geschiedschrijving. Het was hún revolutie, maar daarin begint nu verandering te komen,’ zegt Henk Schulte Nordholt. Hij en zijn mede-initiatiefnemers hebben al jaren contact met Indonesische historici van de Universitas Gadjah Mada in Jogjakarta, die een overzicht willen maken van Indonesische studies over de revolutie. ‘Net als wij zijn het allemaal mensen van na de dekolonisatie. Het is niet meer onze eigen, zelf beleefde geschiedenis,’ zegt Schulte Nordholt.

De Amerikaanse hoogleraar Zuid-Aziatische studies aan de universiteit van Ohio William Frederick juicht het initiatief voor een nieuw onderzoek toe, maar is tegelijkertijd wat sceptischer dan de initiatiefnemers. Hij is onder meer de auteur van het gezaghebbende Visions and Heat. The Making of the Indonesian Revolution. Op dit moment is hij bezig met een onderzoek naar geweld tijdens de revolutie, waaronder ook de zogenaamde Bersiap-periode: de chaotische maanden in 1945, toen nadat de Japanners waren verslagen duizenden Nederlanders en Indiërs die met hen samenwerkten door nationalistische jongeren werden vermoord. Juist naar deze periode willen de Nederlandse initiatiefnemers ook meer onderzoek doen. Frederick ziet in Indonesië wel enige beweging onder historici om te komen tot meluruskan sejarah, het rechtzetten van de geschiedenis. ‘Maar de onafhankelijkheidsstrijd maakt daar nog geen onderdeel van uit,’ laat Frederick per mail weten. ‘Het is nog steeds een heel gevoelig onderwerp waar tegelijkertijd weinig interesse voor bestaat. Het is dan ook niet te verwachten dat op afzienbare termijn jonge wetenschappers hier serieus mee aan de slag gaan.’

De komende tijd zal blijken of de onderzoekers in Indonesië hier de ruimte voor krijgen. Goede graadmeter: het archief van het leger in Bandung. Daar ligt een schat aan materiaal en buitenlandse onderzoekers zijn er niet welkom. Frederick voorziet daarom dat er terughoudendheid zal bestaan over het initiatief. ‘In Nederland, maar ook in Indonesië zijn de autoriteiten bevreesd dat er door hernieuwd onderzoek onrust ontstaat. De gebeurtenissen van zeventig jaar geleden zijn nog steeds hot.

Aanstichter van de zaak-Rawagede Jeffry Pondaag is blij met een mogelijk nieuw onderzoek. Maar hij heeft ook kritische kanttekeningen. Het moet niet weer een exclusief Nederlands onderonsje worden. ‘De leiding van het onderzoek zou niet in Nederlandse handen moeten komen,’ zegt hij. ‘Ik hoop dat er een internationaal onderzoeksteam komt. Anders ben je als een slager die zijn eigen vlees keurt.’ Maar óf er een nieuw historisch onderzoek komt is vooralsnog onzeker. De linkerkant van de Tweede Kamer, van SP tot D66 is vóór. Maar het CDA liet bij monde van de vertrekkende Henk Jan Ormel weten niet meteen warm te lopen. ‘We zijn nu vooral bezig met de euro.’ De VVD heeft nog niet gereageerd. Bij het KITLV raken ze niet in mineur doordat er nog geen uitsluitsel is. Dat vergt tijd en het is nu zomerreces. ‘We denken dat de politiek wel in beweging komt. Rond de Indiëherdenking in augustus kloppen we wel weer op deur,’ zegt Henk Schulte Nordholt.

Spaarnestad photoSpaarnestad photo

De stellingname van Van Randwijk

Volgende week wordt herdacht dat Nederland zijn grootste oorlog ooit begon, tegen de piepjonge Indonesische Republiek. Toenmalig Vrij Nederlandhoofdredacteur Henk van Randwijk schreef in juli 1947 een ‘iconisch stuk’ dat dwars tegen de oorlogszuchtige stemming in ging. Op 21 juli, precies 65 jaar na het begin van wat de ‘eerste politionele actie’ is gaan heten, zendt Nederland 2 een reconstructie uit van wat er die dag in 1947 gebeurde. In de (al opgenomen) uitzending neemt Maartje van Wegen, gekleed in een sobere, bruin-beige outfit, plaats achter de presentatiedesk. Ze schakelt over naar Batavia, het PvdA-hoofdkantoor en het Binnenhof, waar oud-journalisten als Fons en Ed van Westerloo en Eef Brouwers de rol spelen van verslaggevers ter plaatse, compleet met hoed en double-breasted kostuum. Aan het slot van de reconstructie komt toenmalig Vrij Nederland-hoofdredacteur Henk van Randwijk in beeld, gespeeld door acteur Diederik van Vleuten. Van achter zijn typemachine leest hij voor uit zijn artikel ‘Omdat ik Nederlander ben’, dat in de week waarin de Nederlandse troepen ten strijde trokken tegen Indonesië op de voorpagina van Vrij Nederland stond.

Het idee voor de reconstructie komt van voormalig hoofdredacteur van NOVA en bedenker van Andere Tijden Ad van Liempt, en is gebaseerd op zijn boek Nederland valt aan. Van Liempt noemt ‘Omdat ik Nederlander ben’ ook 65 jaar na publicatie nog steeds een ‘iconisch stuk’. ‘Het was een cri de coeur van iemand die echt door en door bedroefd was over het besluit om ten oorlog te trekken. Het opvallendst is dat hij het optreden van Nederland gelijkstelde met dat van nazi-Duitsland. Tegenwoordig doen veel mensen daar geringschattend over. Maar toen was het andere koek. Als Van Randwijk, voor velen als hoofdredacteur van het ondergrondse Vrij Nederland dé belichaming van het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, het Nederlandse optreden in Indonesië met dat van de nazi’s vergeleek, was dat echt wel wat.’

Henk van Randwijk was een felle voorstander van een onafhankelijk Indonesië. Hij was goed bevriend met Indonesiërs, van wie enkelen actief waren bij het ondergrondse Vrij Nederland. In 1946 maakte hij een reis naar Indonesië waar hij in de bevrijde gebieden sprak met de leiders van de jonge Republiek. Vrij Nederland volgde de aanloop naar de oorlog dan ook met toenemende zorg. In september 1946 schreef de jonge adjunct-hoofdredacteur en latere leider van de Partij van de Arbeid Joop den Uyl over de allereerste berichten die in Nederland doorsijpelden over oorlogsmisdaden gepleegd door Nederlandse militairen. Den Uyl citeerde uit een brief van een gewetensvolle anonieme marinier die op Java was gestationeerd en die beschreef hoe zijn collega’s zich te buiten gingen aan zinloos geweld. ‘Mijn grote grief is dat gevangenen niet alleen geslagen maar ook werkelijk gemarteld en gefusilleerd worden,’ schreef de militair. ‘In hoeverre dit bij de opperste leiding bekend is weet ik niet, maar dat hier ten strengste wordt ingegrepen en zo snel mogelijk is noodzakelijk. Het Nederlandse volk stelt zich hier op een lijn met de Duitsers en Japanners.’ Den Uyl concludeerde dat als de Nederlandse regering niet kon garanderen dat het leger van ‘deze Gestapo-methoden’ werd gezuiverd, haar vele ‘schone verklaringen’ over de vredelievende militairen die rust en orde kwamen brengen voor de bevolking niet meer dan ‘huichelarij’ waren.

NTRNTR

Een jaar later, op 5 juli 1947, kwam Vrij Nederland met nieuwe onthullingen, dit keer over grootscheepse oorlogsmisdaden tijdens zuiveringsacties op Zuid-Celebes onder leiding van de beruchte kapitein Raymond ‘de Turk’ Westerling. Bij het stuk stond een uitgebreid hoofdredactioneel commentaar waarin Van Randwijk aandrong op een onderzoek door een onafhankelijke rechter en een parlementaire enquête. Het Nederlandse volk moest volgens Van Randwijk ‘op een of andere manier met deze zaak in het reine komen’.

Het zou er niet van komen. Westerling noch zijn ondergeschikten zijn ooit vervolgd, een onafhankelijk onderzoek is nooit ingesteld. De zaak bleef dooretteren tot de dag van vandaag. Onlangs dienden nabestaanden van Westerlings bloedbaden een verzoek in bij de Nederlandse staat om alsnog schadevergoeding te krijgen.

Twee dagen na het begin van wat de toenmalige regering eufemistisch een ‘politionele actie’ noemde, op dinsdag 22 juli 1947, zat Henk van Randwijk thuis aan de Stadionkade 88 achter zijn typemachine, waar hij tijdens de oorlog ook zo vaak zijn stukken had geschreven. Hij tikte ‘Omdat ik Nederlander ben’ achter elkaar op, gedreven door woede. Net daarvoor had hij toenmalig premier Louis Beel op de radio horen mededelen dat Nederlandse militairen ‘een ander volk met tanks en bommen te lijf zouden gaan’. De aankondiging werd afgesloten met het Wilhelmus. Schandalig, vond Van Randwijk. ‘De betikte vellen vlogen zijn machine uit,’ zou zijn echtgenote Ada van Randwijk later vertellen in de biografie die in 1988 over haar man verscheen.

Van Randwijk wijdde bittere woorden aan Haagse politici die volgens hem niet uit waren op ‘een goede verstandhouding tussen twee vrije volkeren’ maar op een ‘herstel van de Nederlandse overmacht’. Van Randwijk vond dat hij niet kon zwijgen: ‘Ik spreek omdat ik Nederlander ben. Omdat ik Nederlander ben zeg ik nee! Tegen geweld, dat thans door ons in Indonesië gepleegd wordt. (…) Door in Indonesië een koloniale oorlog te ontketenen begaat Nederland een politieke dwaasheid. Ik hoop vurig dat het Nederlandse volk bij machte zal zijn de regering te dwingen op deze heilloze weg halt te houden. Eerst dan kan ons Wilhelmus opnieuw klinken en meegezongen worden.’

Dat Van Randwijk de oorlog in Indonesië veroordeelde als ‘een zedelijk kwaad en een politieke dwaasheid’, was geheel tegen de tijdgeest in. De stemming in het land én op het Binnenhof was in die dagen ronduit oorlogszuchtig. Zijn biografen Gerard Mulder en Paul Koedijk noemen ‘Omdat ik Nederlander ben’ in hun boek het journalistieke hoogtepunt van Van Randwijks carrière als hoofdredacteur van het bovengrondse Vrij Nederland. ‘Het was dapper om in de wetenschap voor landverrader te zullen worden uitgemaakt, te protesteren tegen de oproep dat de rijen gesloten dienden te worden. Alleen al dieZivilcourage die de auteur heeft moeten opbrengen, maakte “Omdat ik Nederlander ben” tot een bijzonder getuigenisartikel.’

Maar leidde het artikel ertoe dat er écht iets veranderde? Nou nee. De oorlogstrein denderde door, ook al bleef Van Randwijk ook in de twee jaar die volgden waarschuwen voor de funeste beslissingen die de Nederlandse regering nam. Over de invloed van zijn schrijfsels had Van Randwijk aan de vooravond van het tweede militaire ingrijpen weinig illusies. ‘Het oordeel van een zekere mijnheer Van Randwijk kan niet langer van enige invloed zijn,’ schreef hij op 18 oktober 1948. Ad van Liempt vindt zijn stuk desondanks van grote waarde: ‘Het was een opvallend geluid in een tijd dat de meerderheid van de bevolking vond dat we er juist nog harder tegenaan moesten. Van Randwijk was zijn tijd ver vooruit. Het land was op dat moment nog helemaal niet toe aan een weloverwogen en volwassen dekolonisatiebeleid. Dat zat er toen helemaal niet in.’

‘H.M. van Randwijk. Een biografie’ van Gerard Mulder en Paul Koedijk, uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar, is alleen nog maar antiquarisch te verkrijgen. Voor dit stuk is ook gebruikgemaakt van ‘Joop den Uyl 1919-1987. Dromer en doordouwer’ van Anet Bleich, uitgegeven door Balans

========

Uitspraak Rechtbank woensdag 14 september 2011: De Nederlandse Staat is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt tijdens de politionele acties in Rawagede in 1947. De Staat kan geen beroep doen op verjaring (van de 64 jaren eerder gepleegde misdrijven) Het gaat om direct betrokkenen van de slachtoffers van oorlogsmisdrijven door Nederlandse militairen.

Het is voor het eerst dat Indonesische slachtoffers van de strijd tussen Indonesië en Nederland in de periode 1945-1949, de Nederlandse overheid aan hadden geklaagd voor misdrijven die destijds in Indonesië zijn begaan.

De weduwen dagvaarden Nederland niet alleen voor de executies zelf, maar ook voor het uitblijven van strafrechtelijk onderzoek naar de moorden.

”De legerofficier onder wiens leiding het bloedbad werd aangericht, majoor Wynen, is na overleg tussen de toenmalige legercommandant en de procureur-generaal om opportuniteitsredenen niet vervolgd”, zo Zegveld, eerder toe.

Een rapport van de Verenigde Naties uit januari 1948 noemde het optreden van de Nederlanders in Rawagede ”opzettelijk en meedogenloos”.

Advertenties

Over actumail

Actumail publish interesting books and articles. Check the publisher webshop http://actumail.biedmeer.nl
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

5 reacties op Example of unacceptable complaint procedures

  1. Mr.M. zegt:

    Zaterdag 26 april 2013 ANP:
    De weduwen van tien slachtoffers van Nederlandse massa-executies in 1947 in Zuid-Sulawesi (toen Celebes) moeten een schadevergoeding en excuses krijgen, zo bleek vrijdag na de ministerraad.

    De Nederlandse landsadvocaat heeft althans de opdracht gekregen om tot een schikking te komen: met een schadevergoeding en een spijtbetuiging zoals eerder in de zaak-Rawagedeh. Toen ging het om een schadevergoeding van 20.000 euro per persoon.
    ”Aangezien Nederland eerder al het principe van een schadevergoeding en spijtbetuiging had omarmd, is er geen enkele reden om deze hoogbejaarde en kwetsbare weduwen te confronteren met een langdurige juridische procedure”,
    aldus minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans.

    Belang
    “Dat is niet in hun belang, maar ook niet in het belang van de staat. Met een schadevergoeding en een spijtbetuiging krijgen de weduwen hun dierbaren niet terug, dus hun verdriet kunnen wij niet wegnemen, maar toch hoop ik dat hiermee een bijdrage wordt geleverd tot verwerking van het verlies.”
    Hij wil ook dat de staat in de toekomst bij gelijke gevallen ook de gelijke schikking en spijtbetuiging gaat toepassen. De bewindsman zei al eerder dat hij een algemene regeling voor dit soort zaken wil waarin de hoogte van schadevergoedingen en excuses zijn vastgelegd. De ministerraad is daar vrijdag mee akkoord gegaan.

    Onderhandelingen
    Afgelopen weekeinde werd bekend dat de onderhandelingen tussen Nederland en de weduwen op niets waren uitgelopen. De vrouwen wezen een schadevergoeding van 10.000 euro per persoon en schriftelijke excuses van Nederland af.
    Voor de Staat waren de onderhandelingen over een schikking echter nog niet afgebroken en dat heeft Timmermans ook laten weten aan de advocaat van de weduwen.
    Door: ANP/Novum

  2. Mr.M. zegt:

    13 april 2012 nu.nl
    ARNHEM – Nederlandse militairen die betrokken zouden zijn geweest bij het bloedbad in Rawagede in Indonesië in 1947, worden niet vervolgd.

    Het Openbaar Ministerie (OM) in Arnhem komt vrijdag tot de conclusie dat de misdrijven zijn verjaard en stelt daarom geen strafrechtelijk onderzoek in.
    Dat geldt ook voor de vermeende misdrijven die van december 1946 tot en met februari 1947 zouden zijn gepleegd tegen de bevolking van het huidige Sulawesi.
    Het Comité Nederlandse Ereschulden verzocht het OM in januari tot vervolging over te gaan. De feiten, waarop in 1947 de doodstraf stond, waren al na 24 jaar verjaard. In 1995 deed justitie eveneens een oriënterend onderzoek, maar kwam toen al tot dezelfde conclusie.
    Onbevredigend
    ”Het OM realiseert zich dat dit besluit zeer onbevredigend moet zijn voor nabestaanden en andere betrokkenen, maar kan vanuit zuiver juridische overwegingen niet tot een andere slotsom komen”, aldus het OM.
    In het Javaanse dorp Rawagede, dat tegenwoordig Balongsari heet, doodden Nederlandse militairen in 1947 honderden mannen. Ook gevangenen en vluchtenden werden gedood. Inmiddels is bepaald dat negen nabestaanden van deze mannen een schadevergoeding van 20.000 euro per persoon krijgen.
    Ook heeft de Nederlandse staat bijna 65 jaar na dato excuses aangeboden. Op het Indonesische eiland Sulawesi moesten Nederlandse militairen onder leiding van de omstreden commandant Raymond Westerling het Nederlandse gezag herstellen. In een uitzending van het tv-programma Altijd Wat verklaarden twee oud-militairen de misdaden destijds te hebben begaan.
    Twee maten
    Het Comité Nederlandse Ereschulden vindt de de regering met twee maten meet, zei een woordvoerder in een reactie op het besluit van het OM. ”Duitse oorlogsmisdadigers worden nog steeds vervolgd, maar wat Nederland zelf heeft gedaan, daarvoor nemen ze geen verantwoordelijkheid. Het is smerig.”
    Liesbeth Zegveld, de advocaat van de weduwen en nabestaanden van Rawagede, betwijfelt of de acties van de Nederlandse militairen echt verjaard zijn. ”In 1971 is de verjaring opgeheven voor oorlogsmisdaden, maar Nederland wilde zijn eigen daden in Indonesië daarvan uitzonderen.” Volgens de wet is ‘Rawagede’ officieel niet verjaard, aldus Zegveld.

  3. Mr.M. zegt:

    Volgend is een copy van de blog van Piet Scheele op http://members.chello.nl/pscheele/oorlogsmisdaden.html
    Dit heb ik gecopieerd uit angst dat die blog verdwijnt en een oprecht ogend ooggetuige verslag verloren zou gaan. Er is al teveel informatie over de politionele acties verdoezeld.
    Rawagede

    Oorlogsmisdaden in v.m. Nederlands-Indië.

    Rawagede.

    Niet alleen kapitein Westerling, van het KNIL, wordt van oorlogsmisdaden beschuldigd. Later werd bekend dat Nederlandse troepen op 9 december 1947 in de desa Rawagede (nu Balongsari), ten oosten van Batavia (Jakarta), de desabewoners bijeen brachten en (volgens Indonesische gegevens) 431 van hen doodschoten. In 2009 schreef H.H. Scholtens, student aan de Rijksuniversiteit Groningen, in een doctoraalstudie, dat in de kampong Rawagede door Nederlandse troepen 150 tot 300 inlandse mensen werden doodgeschoten. Hij putte uit schaarse Nederlandse en Indonesische documenten, die een waarheid hebben van legerbulletins van strijdende partijen. Volgens zijn studie waren bij de actie troepen van 3-9 RI, dat vooral uit dienstplichtige militairen bestond, betrokken. De studie van Scholtens roept nieuwe vragen op. 3-9 RI zat onder de organieke sterkte. Om de grote onrust in het gebied, waar TNI en allerlei Indonesische groeperingen, mogelijk de KPI (de Partai Komunis Indonesia), de Darul Islam, benden en rampokkers onderling vochten, te bestrijden, kreeg het onderdeel steun van 70 man van de 1e Para Compagnie van het KNIL en onderdelen van de 12e Veldcompagnie Genie en van Huzaren van Bureel.

    Een kapitein van de TNI, Lucas Kustario, werd door de TNI in het door 3-9 RI beveiligd gebied geplaatst met de opdracht het vertrouwen te winnen van de elkaar bevechtende Indonesische groepen, de TNI te versterken en de acties tegen de Nederlanders te coördineren. De pogingen van het Nederlandse leger om o.a. van dorpsoudsten medewerking te krijgen voor de Nederlandse aanpak werden door hem gedwarsboomd. Hij slaagde wonderwel in zijn opdracht. Zijn succes irriteerde het Nederlandse leger. Het Nederlandse leger probeerde met de actie Lucas Kustario uit te schakelen. Volgens de studie van Scholtens werd, in opdracht van bataljonscommandant R. Boer van 3-9 RI, de actie uitgevoerd door 90 man onder leiding van majoor A.J.H. Wijnen. Drie groepjes van 30 man omsingelden de kampong en dreven de bewoners bijeen. Ze wilden weten waar Lucas Kustario, die verantwoordelijk werd gehouden voor de onrust in het gebied, zich bevond. Zij die het niet wisten konden het niet vertellen en zij die het wisten vertelden het niet. Een frustrerende situatie. Scholtens beschreef niet wie de ondervragingen leidde. 3-9 RI was op 28-10-1946 in Batavia gearriveerd en zij zullen in één jaar het Maleis niet zo onder de knie hebben gekregen dat zij een ondervraging konden leiden. Je denkt dan eerder aan de Nederlandse inlichtingendienst. Maar met het Nederlandse leger wist je het maar nooit.

    De studie wijst op de onrust in het gebied en op de onderlinge Indonesische gevechten. De TNI was (nog) te zwak om dit te verhinderen. Dat er grote onrust kon zijn werd in de periode dat de onderhandelingen in Lingadjatie tussen de Nederlandse regering (de Commissie-Generaal) en de Indonesiërs begonnen, al duidelijk. De Indonesiërs wilden de onderhandelingen op Indonesisch grondgebied houden maar konden de Nederlandse delegatie geen veilige doortocht over land garanderen. Ze moesten over zee. In september 1948 brak rond Madioen, republiekeins gebied ten westen van Rawagede, een strijd uit tussen de troepen van de TNI van Sukarno en de Partai Komunis van Moesso, de communistische tegenstrever van Sukarno. Daarbij vielen duizenden doden. Met die aanpak bewees Sukarno de Amerikaanse regering dat hij het Communisme wilde en kon bestrijden. De Amerikaanse aanpak van het conflict tussen Nederland en Indonesië veranderde ermee.

    Volgens Jeffrey Pondaag van het Comité Nederlandse Ereschulden, zou een jaar na het drama, de toenmalige procureur-generaal Felderhof besloten hebben af te zien van vervolging van de daders (bron Checkpoint maandblad voor veteranen). Later (juni 1910) klaagt een marineveteraan in Checkpoint dat geen aandacht wordt besteed aan het drama in Rawagede. Checkpoint heeft er eerder over geschreven en wil pas ‘opnieuw aandacht besteden aan de hand van Nederlandse ooggetuigen die bereid zijn hun kant van het verhaal te vertellen’. Een goed doch utopisch verlangen.

    Onderzoek naar oorlogsmisdaden .

    Onafhankelijk onderzoek naar oorlogsmisdaden is weinig gedaan. Minister-president Piet de Jong beloofde de Kamer in 1969 een onderzoek naar de gebeurtenissen in Indonesië. Er kwam echter geen parlementaire enquête zoals Den Uyl (van 1973 tot 1977 minister-president, toen kamerlid) wilde. Er werd een ‘Coördinatiegroep Indonesië 1945-1950’ gevormd met secretaris, drs. mr. Cees Fasseur, ambtenaar op het Ministerie van Justitie en later hoogleraar in de Geschiedenis van Zuidoost-Azië. Uit dit onderzoek kwam de zogenaamde ‘Excessennota’ voort waarin niet werd (‘niet kon worden’) vastgesteld of de wandaden moesten worden gezien als structureel beleid van de krijgsmacht, of als toevallige incidenten en of het om oorlogsmisdaden of ‘slechts’ excessen ging. Maar structureel beleid of toevallige incidenten, het blijven oorlogsmisdaden. Het verschil is wie de verantwoordelijkheid draagt: de Nederlandse staat en de legerleiding of betrokken daders.
    De verantwoordelijkheid voor de oorlog 1946-1950 tegen Indonesië ligt bij de Nederlands regering en de legerleiding.

    De legeronderdelen die bij de ‘politionele acties’, eufemisme voor oorlog, waren betrokken..

    De jaren 1945-1949 stonden in het teken van de Indonesische kwestie. Nederland erkende de Indonesische Republiek niet en zette alles op alles om Nederlands-Indië te behouden. Het parlement en het overgrote deel van de bevolking steunden het kabinetsbeleid. Perioden van diplomatie en onderhandeling wisselden af met perioden van strijd. Uiteindelijk haalde Nederland onder zware druk van de Verenigde Staten en de Verenigde Naties bakzeil en kreeg Indonesië eind 1949 zijn onafhankelijkheid. De jaren in Indonesië waren zwaar. De militairen moesten veel langer dienen dan van tevoren was gedacht en de personele verliezen waren hoog”. (Bron: Nederlands instituut voor militaire historie)

    Het KNIL.

    Het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger), bestond uit meer dan 20.000 beroepssoldaten en vormde het belangrijkste legeronderdeel. Zij deden ‘het vuile werk’ gingen bij acties voorop en leverden de zwaarste gevechten. De Indische KNIL- militairen hadden meestal hun gezin bij zich. Vaak ging het beroep over van vader op zoon. Het waren geharde strijders, trouw aan het Nederlandse gezag. Ze vochten jarenlang in dienst van de Nederlandse regering.

    Over de ‘oorlog’ tussen Nederland en Indonesië is veel geschreven. Veel zinnigs, ook onzin. Vaak ging het over oorlogsmisdaden, o.a. die Kapitein Raymond Westerling, commandant van het Korps Speciale Troepen met 150 KNIL-militairen, in januari 1947 in het toenmalige Celebes, nu Saluwesi, pleegde. (Zie onderaan de link naar kapitein Westerling.

    De harde werkwijze van het KNIL was al gebruik bij de VOC (Verenigde Oostindische Compagnie). De VOC was zeker geen vreedzame handelsvereniging. Gouverneur-generaal J. P. Coen stond in 1619 een beleid voor van op agressieve wijze een monopolie in de handel in Indië te verwerven, zoals in die tijd bij koloniserende landen gebruikelijk was. Hij zette het beleid om in daden. Zijn politiek leidde tot strijd met andere landen: op Ambon werd een aantal Engelse mensen dood gemarteld na verdenking van samenzwering ter omverwerping van het Nederlands gezag.

    Later in de agressieoorlog tegen het onafhankelijke sultanaat Atjeh, onder leiding van Van Heutsz, werd het aantal doden op 100.000 geschat. Hele landstreken werden in 1896 tot 1920 verwoest. Van Heutsz promoveerde, na zijn gouverneursschap, tot Gouverneur-generaal van heel Nederlands-Indië. Hij gebruikte de Atjeese methoden ook in de ‘buitengewesten’, met als resultaat een vanuit Batavia min of meer centraal geleidde kolonie.

    Minder bekend is dat de latere minister-president van Nederland, Hendrik Colijn, die onder van Van Heutsz als adjudant diende, er ook zelf met zijn mannen op uittrok. Colijn liet vrouwen en kinderen in Panglima Polem Atjeh gevangen nemen en dood schieten. Colijn speelde ook een rol bij het ‘pacificeren’ van het eiland Lombok.

    Op 26 juli 1950 komt een einde aan het bestaan van het KNIL, dat op dat moment nog ongeveer 65.000 militairen telde. Een groep van 4.000 Ambonese militairen wilde niet overstappen naar het Indonesische leger. Met vrouwen en kinderen, kwam een groep van 12.000 personen ‘tijdelijk’ naar Nederland. Ze keerden niet meer terug. Zij vormden het begin van de Molukse gemeenschap in Nederland die streeft naar een onafhankelijke republiek in de Zuid-Molukken.

    De oorlogsvrijwilligers (ovw-ers).

    Omdat de regering het niet alleen met het KNIL kon klaren stuurt ze ook bataljons oorlogsvrijwilligers (OVW-ers) naar Indië, die in 1944 en 1945 zijn geworven om tegen de Duitsers te vechten. De motieven van de oorlogsvrijwilligers varieerden van idealisme tot verlangen naar actie en avontuur. Vanaf september 1945 werden de oorlogsvrijwilligers verscheept. De eerste OVW-bataljon’s kwamen in Malakka terecht omdat ze pas in maart 1946 van het Britse bezettingsleger in Azië toestemming kregen op Java en Sumatra te landen.

    De ongeveer 25.000 oorlogsvrijwilligers (OVW-ers), die op 24 februari 1946 op Java arriveerden, hadden het niet gemakkelijk. Zij kwamen in een chaotische situatie terecht waar mishandeling, moord en doodslag geen uitzondering waren. In de jappenkampen werden de Nederlandse en Indisch-Nederlandse gevangenen door Indonesiërs bedreigd:’de Bersiaptijd”. Nederlands bestuur was er (nog) niet en de Britten hadden slechts militair bestuur in kleine gebieden. De Japanners wachtten in hun kazernes op een troepenmacht waaraan ze zich over konden geven. Indonesisch landelijk burgerlijk bestuur was er evenmin en het Indonesische Leger, de TNI, (Tentara National Indonesia) moest nog worden opgebouwd. De TNI had nog onvoldoende macht en gezag. Het bestuursvacuüm werd opgevuld door verschillende meest slecht bewapende groepen: militaire takken van Indonesische politieke partijen, godsdienstige groepen als Darul Islam, groepen met eigen belangen en bendes (rovers), die van de gelegenheid gebruik maakten. Kortom de groep die de macht greep was plaatselijk de baas.

    Grote groepen revolutionaire jongeren, de Pemuda’s, trokken het gezag naar zich toe. Zij dwongen Sukarno en Hatta op 17 augustus 1945 de Indonesische staat uit te roepen. Sukarno en Hatta aarzelden omdat er nauwelijks centraal Indonesisch gezag was en nog geen nationaal leger die dat gezag kon afdwingen. Zij vreesden chaos. De Pemuda,s voerden niet alleen een revolutionaire strijd tegen het Nederlands gezag, maar ook tegen de oude Indonesische machthebbers en feodale vorsten. Veel Indonesische vorsten en oude gezagsdragers kwamen in die tijd in gevangenschap terecht. In die situatie kwamen de OVW-ers te verkeren en zij werden als vijanden ontvangen. Pas op 27 december 1949 droeg Nederland de soevereiniteit aan Indonesië over, met uitzondering van Nieuw-Guinea.

    De dienstplichtigen.

    Omdat de Indische vrijheidsstrijd niet kon worden bedwongen, besloot het kabinet ook Nederlandse dienstplichtigen te sturen. Nooit eerder waren dienstplichtig militairen ‘overzee’ gezonden. De grondwet moest er voor worden gewijzigd. Snel werd een groot expeditieleger op de been gebracht. Dienstplichtige jongeren van 19 jaar, die eerder medisch waren gekeurd, werden uit steden en dorpen opgeroepen. Daaronder waren oppassende en minder brave jongemannen. Jong, naïef, veelal nog op weg naar volwassenheid, kregen zij snel een opleiding. Zij werden naar een vreemd, tropisch en ver land gezonden. In september 1946 vertrokken de eerste dienstplichtigen, de 7 December Divisie, naar Nederlands-Indië. De naamgeving van de divisie, is een verwijzing naar de radiorede op 7 december 1942 van Koningin Wilhelmina, waarin zij hervorming van de koloniale verhouding tussen Nederland en Indië beloofde. In mei 1947 kwam een Tweede divisie ,de ‘Palmboom’-divisie, in Nederlands-Indië aan. Het 4e Bataljon Regiment Stoottroepen, waarin ik zat, onderdeel van de Palmboom-divisie werd ingezet op Sumatra bij Medan en later bij Padang. We kwamen op 9 juni 1947 in Nederlands-Indië. We waren amper gearriveerd, of we werden op 21 juli 1947 metéén ingezet voor een grote militaire actie: de 1e politionele actie.

    Niet alleen werden de militairen in Indonesië beschoten, maar ze stonden ook bloot aan tropische ziekten als ringworm, tropenzweren, malaria, enz. Ook pokken, diarree en scabiës (schurft) kwamen voor. Vele vervulden een verplichte diensttijd van in totaal drie en een half jaar tot 4 jaar of meer, waarvan bijna 3 jaar in Indonesië. Voor de meeste was het een spannend avontuur. Sommigen deden er vriendschappen voor het leven op. In totaal werden ongeveer 95.000 dienstplichtigen naar Indië gezonden.

    De legerleiding in Indië (Spoor) was niet overtuigd van de grote inzetbaarheid van de Palmboomdivisie. Hun motivatie werd door Spoor en zijn staf niet als hoog ingeschat. In de eerste en tweede ‘politionele actie’ trokken zij op achter een voorhoede die veelal uit militairen van het KNIL bestond. Was de actie achter de rug dan werden ze ingezet om veroverd terrein te beveiligen. Er werden buitenposten gevestigd op invalswegen van steden, bij knooppunten van wegen en voor het beveiligen van bedrijven buiten de grote steden.

    Lang niet iedere militair had contact met de Indonesische vijand en niet iedereen heeft geschoten. Dat hing af van de buitenpost en van de omstandigheden waar je was gelegerd. Het vijandelijke contact, buiten de twee politionele actie om, dat onze sectie had, was bij het bewaken van de elektriciteitscentrale in Padang Loear buiten Fort de Kock (Buketingi). Daar werden we in het donker wel beschoten. We kregen er te maken met een hinderlaag waarbij twee militairen sneuvelden. Op de buitenpost in Baso, eveneens in de buurt van Fort de Kock, werden we in de nacht aangevallen en beschoten. Uiteraard schoten we terug, al kon je in het donker niet zien op wie.

    Tussendoor waren er rustige perioden waarin weinig gebeurde. In november 1947 gingen we aan de Oostkust van Sumatra voor een aantal weken met een bedrijfsleider van een rubberplantage mee. Hij sprak zijn personeel niet zachtzinnig toe. In het verwilderde gebied moest de rubberplantage Poelau Mandi weer in bezit en in bedrijf worden genomen. Een OVW-er die in Glascow (Schotland) zijn opleiding kreeg en niet verder kwam dan soldaat 1e klas, kreeg de opdracht om uit werknemers van het bedrijf een bedrijfsbewaking op te zetten. Hij had de tijd van zijn leven. Hij drilde en commandeerde op Britse wijze zoals hij in Glascow had geleerd. In 1948, vóór de 2e ‘politionele’ actie, beveiligden we bij Indaroeng, in de buurt van Padang, een grote cementfabriek.

    Piet Scheele

  4. Niels Cornelissen zegt:

    Een van de sterkere argumenten van Westerling vond ik dat hij zijn methode minder slachtoffers maakte dan een regulier leger dat deed. Een regulier leger bombardeert een hele kampong en doodt daarbij met willekeur en lukraak. Vrouwen en en kinderen komen om in grote getalen. De afstand tussen artillerie en doel was groot. In de docu Tabee Toean http://www.hollanddoc.nl/kijk-luister/documentaire/t/tabee-toean.html toont met een monument voor 786 slachtoffers van een bombardement (op 31 minuten in de docu) Met Westerling’s methode, werden er minder mensen vermoord dan een willekeurige KL aanval. Alleen de mannen werden vermoord die misschien iets op de kerfstok hadden. Ik wil niets goed praten, maar Westerlings methodiek was minder dodelijk dan ‘gewone’ oorlogsvoering. Waarom is er zo’n focus op Westerling en Rawagadee?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s